De uitholling van preferentiële dividendregimes: een trend in de Belgische fiscaliteit?

Intro

De zoektocht naar bijkomende begrotingsinkomsten is actueel een constante in het Belgische fiscale beleid. In een context van aanhoudende budgettaire druk en Europese verwachtingen inzake begrotingsdiscipline, richt de wetgever zijn blik steeds nadrukkelijker op relatief stabiele en moeilijk te ontwijken belastingbases. Waar in het verleden vaak werd gekeken naar arbeid of consumptie, lijkt de aandacht vandaag te verschuiven naar het vermogen dat binnen vennootschappen wordt opgebouwd.

In dat kader komen ook kmo’s opnieuw in het vizier. Meer bepaald worden de mechanismen waarmee winsten op een fiscaal gunstige manier kunnen worden uitgekeerd aan aandeelhouders – zoals via dividenden – onder de loep genomen. De aangekondigde aanpassingen aan onder meer het VVPRbis-stelsel en de regeling van de liquidatiereserves wijzen in dezelfde richting: een geleidelijke opwaartse druk op de fiscale behandeling van winstuitkeringen.

Hoewel het algemene tarief van de roerende voorheffing op dividenden onaangeroerd blijft, lijkt de beleidskeuze duidelijk. Niet via een expliciete tariefverhoging, maar via het inperken van gunstregimes wordt getracht bijkomende inkomsten te genereren. Deze ‘stille’ hervorming roept vragen op, niet alleen over de impact op de financiering en dividendpolitiek van kmo’s, maar ook over de voorspelbaarheid en consistentie van het fiscale kader waarin zij opereren.

Korte toelichting van beide begrippen

Om de impact van de aangekondigde hervormingen correct te kunnen inschatten, is het nuttig kort stil te staan bij twee bestaande gunstregimes die in de praktijk vaak door kmo’s worden aangewend: het VVPRbis-stelsel en de regeling van de liquidatiereserves.

1/ VVPRbis-stelsel

Vennootschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden (artikel 269 §2 WIB 1992) een verlaagd tarief op roerende voorheffing (15% in plaats van het basistarief van 30%) toepassen bij dividendenuitkeringen. Dit op voorwaarde dat er sinds 1 juli 2013 een kapitaalinbreng in geld werd gedaan.

Een bijkomende toepassingsvoorwaarde is de minimale aanhoudingsperiode van drie jaar. Dit betekent dat er pas recht is op het verlaagde tarief bij winstuitkeringen vanaf het derde boekjaar volgend op dat van de inbreng, vaak de oprichting.

2/ Liquidatiereserves

De liquidatiereserve biedt kleine vennootschappen de mogelijkheid om reeds belaste winsten op een fiscaal gunstige wijze te reserveren. Bij de aanleg van deze reserve is een anticipatieve heffing van 10% verschuldigd. Nadien kan de reserve, mits naleving van een bepaalde wachttijd, worden uitgekeerd als dividend tegen een verlaagd tarief van roerende voorheffing, dan wel zonder bijkomende belasting bij een latere vereffening van de vennootschap.

In het kader van het federale regeerakkoord werd de wachttijd voor de uitkering van liquidatiereserves eerder dit jaar ingekort van vijf naar drie jaar. Tegelijkertijd werd het tarief van de roerende voorheffing dat na het verstrijken van deze wachttijd nog verschuldigd is, opgetrokken van 5% naar 6,5%.

Welke wijzigingen staan op de planning? 

De recente aanpassingen aan de VVPRbis-regeling en de liquidatiereserves brengen een subtiele, maar belangrijke verschuiving teweeg in de fiscale behandeling van winstuitkeringen bij kmo’s:

Voor het VVPRbis-stelsel betekent dit concreet dat het verlaagde tarief van 15% voor dividenden uit nieuwe aandelen geleidelijk wordt opgetrokken naar 18% voor uitkeringen vanaf ten vroegste 1 mei 2026. 

Maar dit heeft ook nog bijkomend volgende impact:

Door de aanpassingen aan de VVPRbis-regeling neemt de gecombineerde belastingdruk op winstuitkeringen — bestaande uit vennootschapsbelasting en roerende voorheffing — merkbaar toe. Voor dividenden die onder het VVPRbis-stelsel vallen, betekent dit dat de effectieve belastingvoet stijgt naar respectievelijk 34,40 % (in plaats van 32%) en 38,50% (in plaats van 36,25%).

VVPRbis15% RV (oud)18% RV (nieuw)
Te bestemmen boekhoudwinst boekjaar100,00100,00 
Roerende voorheffing bij uitkering   -15,00-18,00
Saldo  85,0082,00
Gecombineerde belastingdruk bij 20% VennB125,00 x 20% = 25,00 25,00 + 15,00125,00 = 32,00%25,00 + 18,00125,00 = 34,40%
Gecombineerde belastingdruk bij 25% VennB133,33 x 25% = 33,3333,33 + 15,00133,33= 36,25%33,33 + 18,00133,33= 38,50%

Bij de uitkering van liquidatiereserves loopt de totale druk ook op tot 36,25% of 38,5%, doordat zowel de anticipatieve heffing als de verhoogde roerende voorheffing na de verkorte wachttijd worden meegeteld. 

Voor nieuwe liquidatiereserves, die worden aangelegd vanaf de nog te bepalen datum van inwerkingtreding van de hervorming, zal de roerende voorheffing na de verkorte wachttijd van drie jaar stijgen van 6,5% naar 9,8%. Bij een latere uitkering in het kader van een liquidatie blijft de reserve echter volledig vrijgesteld van roerende voorheffing, zodat het belastingvoordeel bij vereffening behouden blijft.

Ook hier zien we aldus eenzelfde impact op de belastingdruk.

Reserves aangelegd vanaf 31/12/2025Uitkering meer dan 3 jaar na aanlegLiquidatiereserves 6,5% RV (oud)Liquidatiereserves 9,8% (nieuw)
Te bestemmen boekhoudwinst boekjaar100,00100,00 
Aanleg liquidatiereserve: 100 / 1,1 x 10%   -9,09-9,09
Netto liquidatiereserve  90,9190,91
Roerende voorheffing bij uitkering-5,91-8,91
Saldo85,0082,00
Gecombineerde belastingdruk bij 20% VennB125,00 x 20% = 25,00 25,00 + 15,00125,00 = 32,00%25,00 + 18,00125,00 = 34,40%
Gecombineerde belastingdruk  bij 25% VennB133,33 x 25% = 33,3333,33 + 15,00133,33= 36,25%33,33 + 18,00133,33= 38,50%

Timing

Aangezien de nieuwe programmawet pas ten vroegste in de loop van april 2026 kan worden goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, kan de daadwerkelijke inwerkingtreding van de maatregelen pas ten vroegste vanaf 1 mei 2026 plaatsvinden en evenwel onder voorbehoud dat er geen verdere vertragingen zullen plaatsvinden.

Conclusie

Deze cijfers illustreren duidelijk hoe de fiscale voordelen van deze gunstregimes geleidelijk worden beperkt en hoe de overheid extra inkomsten genereert via een combinatie van vennootschapsbelasting en dividendheffing. Door het verlagen van gunsttarieven en het verhogen van de roerende voorheffing wordt het fiscaal voordeel van winstuitkeringen geleidelijk ingeperkt. Voor kmo’s betekent dit dat de planning van dividenduitkeringen en het gebruik van reserves opnieuw kritisch moet worden bekeken. Hoewel het algemene tarief van 30% op dividenden onaangeroerd blijft en liquidatiereserves bij liquidatie fiscaal neutraal blijven, toont deze evolutie aan dat fiscale optimalisatie via gunstregimes steeds meer aan grenzen wordt onderworpen. Voor fiscalisten en ondernemers is het dan ook cruciaal om deze wijzigingen tijdig in hun strategische en financiële planning te integreren.

Ben je een bestaande of nieuwe klant?