Meerwaardebelasting: de belangrijkste punten voor de ondernemer

De discussie over de “meerwaardebelasting” of de zogenaamde “solidariteitsbijdrage” woedt de laatste periode weer zeer hevig. De overheid kampt met een structureel begrotingstekort. In de debatten rond “fiscale rechtvaardigheid” komt steevast het verschil naar boven tussen enerzijds ‘belasting op arbeid’ en anderzijds ‘belasting op vermogen’.

De federale regering heeft in het kader van deze polemiek op 30 juni 2025 een politiek akkoord bereikt om vanaf 1 januari 2026 een algemene belasting in te voeren op meerwaarden op financiële activa (aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, crypto, verzekeringen, etc.).  Het huidige wetsontwerp moet nog deels het parlementaire traject doorlopen, maar graag schetsen we in deze uiteenzetting toch al even de algemene contouren van de wijzigingen die eraan komen.

Quid?

Een meerwaardebelasting is een belasting op de winst die je maakt bij de verkoop van financiële activa, zoals daar zijn:

  • aandelen;
  • obligaties;
  • crypto;
  • beleggingsfondsen;
  • verzekeringsbeleggingen;
  • etc.

Het moet gaan om een overdracht onder bezwarende titel (vb. een verkoop). Schenkingen en overdrachten bij overlijden geven geen aanleiding tot belasting. De heffing zal weliswaar verschuldigd zijn wanneer de begiftigde of erfopvolger de meerwaarde nadien realiseert.

De belasting treft natuurlijke personen, die in België onderworpen zijn aan de personenbelasting. Enkel de volle en blote eigenaars zullen onder het toepassingsgebied vallen. Heb je enkel een vruchtgebruik op deze financiële activa, dan zal je buiten schot blijven.

Waar voorheen enkel abnormaal beheer door de fiscus geviseerd werd, is het principe van het regeerakkoord dat de meerwaarde die het gevolg is van ‘normaal beheer van het privévermogen’ (buiten de context van de beroepsactiviteit) niet langer belastingvrij zal zijn. Meerwaarde uit een beroepsactiviteit of ingevolge abnormaal beheer blijven zoals voorheen nog steeds strenger (aan 33%) belast. De bestaande wetgeving hieromtrent verandert niet.

Als belastbare grondslag zal men het verschil tussen de verkoopprijs en de waarden van de financiële activa op 31 december 2025 nemen (het zogenaamde ‘fotomoment’). Voorheen opgebouwde waardecreatie ontloopt de dans.

Belastingtarieven

In deze uiteenzetting zoomen we in concreto in op de situatie van de ondernemer die zijn aandelen wenst te verkopen. De wetgeving voorziet voor aandelen drie categorieën van meerwaarden:

  • categorie A omvat de zogenaamde ‘interne meerwaarden’. Dit zijn situaties waarin aandelen worden overgedragen aan een vennootschap waarin de overdrager – eventueel samen met familieleden – een controlerende invloed uitoefent (meer dan 50% van de stemrechten). Het gaat hier klassiek om overdrachten binnen een groepsstructuur, bijvoorbeeld: verkoop van private aandelen aan een persoonlijke holding, overdracht aan een patrimoniumvennootschap binnen een familiale structuur, reorganisatiebewegingen waarbij dezelfde persoon vóór en na de transactie de touwtjes in handen houdt. Dergelijke transacties zullen belast  worden aan een vast tarief van 33%.
  • categorie B betreft meerwaarden die gerealiseerd worden bij de overdracht van aandelen door een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in de vennootschap, wat inhoudt dat deze minstens 20% van de aandelen bezit. Deze meerwaarden genieten een gunstregime. Zij worden progressief belast aan 1,25% tot 10%, met een vrijstelling voor de eerste schijf van 1 miljoen euro, per periode van vijf jaar.
Meerwaarde                                             Tarief                                                                  
0 – 1 miljoen   Vrijgesteld (rugzak 5 jaar)
1 – 2,5 miljoen1,25%
2,5 – 5 miljoen2,5%
5 – 10 miljoen5%
> 10 miljoen10%
  • Categorie C is de restcategorie die zal gelden wanneer de meerwaarde op aandelen niet onder de andere categorieën kwalificeert. Dit betreft typisch verkoop van kleinere (minder dan 20% participaties), verkoop door investeerders die geen controle, family control of aanmerkelijk belang hebben, verkoop van beursgenoteerde aandelen zonder grote participatie. Hier geldt een vast tarief van 10% en is er slechts een jaarlijkse vrijstelling van €10.000,00 eventueel aangevuld met een overgedragen vrijstelling, tot maximaal €15.000.

Aandachtspunten voor de ondernemers

Voor zelfstandigen en KMO’s kan de voorziene belasting een belangrijke impact hebben op strategische beslissingen die ze toekomstig gaan maken.

1/ Waardebepaling

Met het oog op een toekomstige verkoop, is het interessant om de waarde van de onderneming zo hoog mogelijk te schatten op het ogenblik van het fotomoment, want dan zal de belastbare meerwaarde kleiner zijn bij de eigenlijke verkooptransactie.

De bepaling van het ‘fotomoment’ is een cruciale factor. De meest gebruikelijke forfaitaire waardering zal deze zijn van:

eigen vermogen + 4x EBITDA

Het eigen vermogen heeft een directe invloed op de waardebepaling. Bepaalde strategische keuzes die aldus kunnen wachten tot na het fotomoment (lees 31 december 2025), worden dus beter uitgesteld tot daarna. Denk maar aan dividendenuitkeringen, uitkeringen van liquidatiereserves of VVPR-bis-reserves, inkoop van eigen aandelen, kapitaalverminderingen, edm, die ervoor zorgen dat het eigen vermogen daalt. Het is aldus meer aangewezen om het eigen vermogen van de onderneming maximaal te behouden tot eind 2025.

Afwijkingen op voormelde forfaitaire waardering zijn echter mogelijk, maar dienen gemotiveerd te worden in een waarderingsrapport van een revisor en/of gecertificeerd accountant, ten laatste op 31 december 2027.

2/ Successie- en vermogensplanning afgestemd op categorisering

Een tweede aandachtspunt is toch wel het wezenlijke verschil in belastbaarheid van de verschillende voormelde categorieën.

Zeker bij een mogelijke intrafamiliale verkoop van aandelen, wordt de structuur best nog eens onder de loep genomen in het kader van deze wijzigingen.

Te denken valt aan de veel voorkomende situatie waarbij de kinderen een holding oprichten om de aandelen van hun ouders te kopen. Indien de ouders in die holding opnieuw, al is het maar een klein percentage, gaan participeren, kan dat voor de fiscus voldoende zijn om dit te gaan beschouwen als een “overdracht binnen controlekring”, met als gevolg dat deze constructie wordt gecategoriseerd als de realisatie van een interne meerwaarde. Dit maakt op belastingniveau een zeer aanzienlijk verschil.

Een goede planning is eens te meer de beste strategische keuze voor de ondernemer met het oog op de nakende wijzigingen in het ondernemerslandschap!

Ben je een bestaande of nieuwe klant?